John Franklinstraat e.a. door Henny Zonneveld Aupers (2006)

Geachte mevrouw, mijnheer,

Gisteravond heb ik de website van uw archief gelezen, ik was er heel enthousiast over.
Ook ik heb goede jeugdherinneringen aan Amsterdam West. Ik heb tot mijn 14e in de John Franklinstraat gewoond. In 1960 zijn wij verhuisd naar Velsen omdat mijn vader op de hoogovens ging werken.

Wij waren thuis met drie meisjes, geboren in en vlak na de oorlog. Alles was in onze kinderogen vredig, je gehoorzaamde aan je ouders (vader was de baas), aan de kerk en aan de juf en de nonnen op school. Mijn vader had een slagerij op de Haarlemmerdijk, alleen op zaterdag nam hij vlees mee. Op vrijdag aten we rijst of havermout met boter en suiker, op die dag stond ook de kamer op zijn kop: de stoelen in de gang, kleed opgerold, de meubeld gewreven. Op zaterdagavond werd de teil voor de kachel gezet. Gerda, de jongste, ging het eerst in bad. Je pyama werd op de kachel warm gemaakt, daarna kregen we een sneetje witbrood met suiker. Toen we groter werden moesten we nar het badhuis. Op zaterdagavond mochten we wel opblijven, dan ging de radio aan en werd er een krant op tafel gelegd en dan dopten we pinda's en dronken we warme chocomelk. Dat waren hele gezellige avonden.

Toen de televisie kwam wisten vriendinnetjes van ons dat je voor 5 cent op woensdag- en zaterdagmiddag bij mensen op de Admiralengracht naar Dapper Dodo, Varen is fijner dan je denkt, Pippo, de Verrekijker en nog veel meer kon zien. Je schoenen moest je op de gang zetten op een krant, daar boven was een touw gespannen waar alle jassen overheen gingen. Bijna het hele jaar door speelden we buiten. Er woonden zoveel kinderen in onze straat. de meesten zaten op de openbare school in de Vancouverstraat dus die waren altijd zo thuis. Wij zaten op de st. Janschool in de Kortenaerstraat dus we moesten nog een heel eind lopen. Als het springtijd was deden er altijd heel veel kinderen mee, aan de overkant was de stoep heel breed. Soms slingerden twee moeders het touw (twee tante Lenie's). er deden ook wel jongens mee maar die brachten er niet veel van terecht. Ook was er tollentijd, hinkeltijd, eitje leg, knikkertijd, met twee ballen tegen de muur, pinkelen op de put. Met iedere spelletjesperiode kwam er een soort golf door de straat, iedereen deed dan ook weer aan die vlaag mee. Met knikkers was Gerda erg goed, die had ook altijd de grootste zak stuiters.

In de zomer als het lang licht was speelden we ook 's avonds buiten; schuilhokkie, krijgertje, diefie met verlos. Als het regende speelden we schooltje in ons gangetje, mijn vader had aan de binnenkant van de voordeur een schoolbord gemaakt. We speelden schooltje met Mary Rus, Niny en Nannie Hoonhout en Tilly Braam. we speelden bijna nooit binnen bij andere kinderen. Aan de overkant van de Jan van Galenstraat was het Erasmuspark. Sommige kinderen mochten daar niet spelen want er werd gezegd dat daar kinderlokkers liepen. Het park zag er verwaarlosd uit want in de oorlog waren alle bomen omgezaagd en ik kan mij niet herinneren dat het er als een park uitzag. Als je de Jan van Galenstraat uitliep was je buiten Amsterdam, daar was de dijk.

In de zomer gingen we met brood en drinken en een oud kleed om op te zitten de hele dag daar spelen en rollen en klimmen. Later werden er wegen en flats gebouwd. Dat was het einde van landelijk Amsterdam.


Henny, ongeveer 5 jaar oud.

Als het op zondag mooi weer was dan werd er voor een kwartje een fiets gehuurd, dat was een doortrapfiets met een bel om de as. waarom er geen rem op zat heb ik nooit begrepen. Om te oefenen mocht ik rondjes rijden om het plein in de Vancouverstraat. ik botste tegen een auto op en had mijn knie geschaafd. Een aardige mevrouw haalde me naar binnen, van haar kreeg ik lomonade en een pleister.

Als het mooi weer was gingen we op zondag naar 'Bosplan', zwemmen in het nieuwe meer. Daar aangekomen zette papa twee fietsen omgekeerd met een oud gordijn er overheen. Mama ging daar volledig aangekleed onder zitten en papa knoopte een zakdoek tot een petje en deed dat op zijn hoofd. Wij namen altijd eten en drinken mee, o.a. een jeneverfles met koffie waar een wesp in zat, die stak Pa in zijn lip, toen was het gauw gedaan met de pret, we gingen meteen naar huis.

Nu vergeet ik nog te vermelden dat wij in de John Franklinstraat 75 hs woonden en onze namen zijn Jopie, Henny en Gerda Aupers. Met vriendelijke groeten,

Henny Zonneveld Aupers
Alkmaar

----------------------

Hallo medewerkers van het Archief,
Bedankt voor de mooie kaarten die ik van jullie heb ontvangen, ik heb mijn verhaal op de site gelezen en hierbij nog wat herinneringen.

Zwemmen
Jopie en ik gingen op zwemles in het Sportfondsenbad in de Cornelis Dirkzstraat. Zij kreeg een groen en ik een rood badpak, als dat nat werd was het ineens véél te groot. Zwemmen heb ik daar nooir geleerd. De badmeesters en juffen waren erg streng en schreeuwden tegen de kinderen. Je begon in het pierenbadje met uitdrijven en daarna de schoolslag. De rugslag werd geoefend in de ‘hengel’, dat was een metalen buis die op de kant stond met daar aan een lus van leer die in het water hing. De badmeester (dezelfde als in de film ‘water’ van Bert Haanstra) porde met een stok in je zij als het niet goed ging. Later mocht je in het diepe aan de haak. Bij de rugslag –als het zwemmen redelijk goed ging- haalde hij de haak onder je vandaan zodat je koppie onder ging.

Als je uit het zwembad kwam, liep je langs snackbar “Marja” in de Jan Evertsenstraat. Daar kon je patat in een puntzakje krijgen voor vijftien cent, want je had wel trek na zo’n zwemles. Maar we kregen het nooit. Mijn moeder zei: ‘Thuis kun je aardappels eten en niet op straat”. In de zomer gingen we naar het Jan van Galenbad, buiten bij het loket hing een bord met de temperatuur van het water. De meisjes werden gescheiden van de jongens en er werd streng op gelet of dat wel zo bleef, maar het was toch wel spannend voor beide partijen om aan de andere kant over de hokjes te kijken. Je kon liggen op de zonneweide maar ook op de tegels die soms erg warm waren en als je dan opstond kon je zien waar je natte badpak stond afgedrukt. Soms kwam je thuis met een roodverbrande rug zodat je ’s nachts niet kon slapen.

Vespucciclub
Vooraan in de John Franklinstraat bij de poortjes kon je voor tien cent naar de club. Ik wilde leren timmeren en zagen en mocht als enige meisje meedoen met de jongens en leren figuurzagen, dat was in de kelder. Boven in het zaaltje was de toneelclub. Daar mocht ik heen met Gerda. We leerden de operette “De verdwenen koningszoon”. Gerda had meer talent dan ik. Zij was een elfje en moest één zin zeggen en daarna huilen. Zij had zich hiervoor zo zenuwachtig gemaakt dat zij niet meer kon stoppen met huilen. Ik was een dwerg en moest meezingen in het koor. De uitvoering was op 21 december 1957 in het St. Elizabethpatronaat op de Lijnbaansgracht. Daarna zijn we geen lid meer van Vespucciclub gebleven.


Uitvoering 'De verloren Koningszoon', 21 december 1957
(v.l.n.r. Hennie Meinstra, Erik Steinfort, Viola ?, Thea v.d. Sterren, ?, Hennie Aupers, ?, ?.)


De St. Janschool
De St. Janschool was een degelijke nonnenschool in de Kortenaerstraat. In de eerste klas zat ik bij Zuster Eugenie. Ik vond haar erg aardig en zij kon prachtig voorlezen. In de tweede bij juffrouw Vredevoort, daar heb ik geen prettige herinneringen aan. Voor de zangles kwam juffrouw Krootjens. We zongen vooral veel canons en op zaterdag Kerk- en Marialiedjes. Handwerken kregen we van Zuster Cortona en Zuster Swibertho. De hoofdzuster heette Willemien. Als de bel ging moest je allemaal in de rij gaan staan, door de granieten gang, twee aan twee zonder te duwen de trap op. Zuster Cortona stond dan met haar breiwerkje in de hand alles in de gaten te houden.

Ook kwam de pietenzuster op school, beneden in ‘het kamertje’ die keek of je schone haren en nagels had. Het was meestal raak want als er luizen waren hadden wij ze altijd en mijn nagels waren ook altijd afgekloven. Je kreeg voor de ‘pieten’ een briefje me, daar moest je moeder mee naar de apotheek. Thuis ging je met je hoofd boven een krant op de tafel en dan ging er een stinkend goedje overheen, daarna een ijzeren Niskakam door je haren en de ‘pieten’ werden dan hardhandig uitgeroeid. Voor controle moest je nar de GGGD op het Magelhaensplein.

Vrijwel dagelijks gingen we voor schooltijd naar de kerk. Je mocht ’s morgens niet eten of drinken. Je brood kreeg je mee in een vetvrij papiertje en lauwe thee in een hoestdrankflesje in een krant gerold. In de vierde klas zat ik bij juffrouw Hendriks. Zij woonde in de Chasséstraat tegenover de kerk. Bij haar thuis mocht je zilverpapier en oude kranten voor de missie ophalen, ook was het een strijd wie haar tas mocht dragen. Van haar leerden we moderne liedjes. Toen ze trouwde mochten we zingen in de kerk.

Handwerkles kregen we van zuster Swibertho: een katoenen lapje breien, gaatje erin knippen en met een andere kleur weer dichtmazen. In de klas lagen planken vloeren met brede naden ertussen. Als je je naald liet vallen moest je kruipend over de grond tot de Heilige Antonius bidden of hij je alsjeblieft je naald weer wilde teruggeven. Als je hem niet vond moest je een naald van thuis meenemen.

Tijdens het speelkwartier en voor en na schooltijd deden we bokkiespring en handstand tegen de schoolmuur, dan propte je gewoon je rok in de pijpen van je gymbroek (we droegen geen lange broeken, dat mocht niet). Dit tot afgrijzen van de nonnen. In de winter als het sneeuwde en je had onderweg sneeuwballen gegooid, dan mochten de mutsen en wanten drogen op het grote ijzeren hek die om de grote zwarte kolenkachel stond.

De kerk en de heiligen bepaalden je hele leven. Iedere dag om twaalf uur ging de radio aan in de klas en werd het ‘Engel des Heeren’ gebeden en daarna was de school uit. We gingen vaak naar de kerk en op zondag de Hoogmis. Die duurde erg lang, dan mocht ik de plaatjes in mijn moeders kerkboek bekijken, het gebeurde meer dan eens dat alles op de grond viel. Meestal viel pa onder de preek in slaap, maar dan begon pastoor Velseboer te bulderen en was pa weer helemaal bij.

Als er een feestdag was dan mocht je bruidje zijn en meelopen in de processie. In de communejurk die al een beetje te klein werd liep je op gewitte gympies naar de kerk. Op 1 mei hingen er rode vlaggen in de straat maar dan was het óók de feestdag van Sint Jozef en begin van de Mariamaand. We verzamelden dan in het klooster van de zusters en kregen een bloem in onze hand. De pastoor liep met de monstrans onder een baldakijn (een soort partytent), dat alles vergezeld van gezang, wierook en orgelspel. Je voelde je dan in de zevende hemel.

Op de eerste vrijdag van de maand moesten we biechten, Gerda en ik overhoorden in bed elkaars zonden want Jopie ging altijd later naar bed. Het was altijd een hele toer om iedere maand niet dezelfde tekortkomingen in dat donkere geheimzinnige hokje te vertellen, maar wij hebben aan dit alles geen traumatische herinneringen. Integendeel, het leven was veel rustiger dan dat het nu is.


Schoolfoto St. Janschool 1956, Hennie en Gerda.

Met vriendelijke groeten,

Henny Zonneveld Aupers
henny@bsg.nl

(Tekst en foto's ingezonden door Henny Zonneveld Aupers.)

        


Historisch Archief De Baarsjes