Mijn eerste levensjaren in de van Spilbergenstraat door Hans Evers

Gemotiveerd door de bijdrage van Thea Kip hier in dezelfde rubriek kom ik hier met mijn verhaal.

Ik heb van 1943, het jaar van mijn geboorte, tot 1956 in de van Spilbergenstraat gewoond, op nummer 81-3, aan de zuidkant van de Willem Schoutenstraat, dus in de richting van de Postjesweg, vlakbij de kruising, dus nog voor de bocht op de eerste foto boven. Ik ben dus een oorlogskind en omdat ik na de geboorte lang geen haar had, vreesden mijn ouders het ergste. Maar het is goed gekomen, want nu, in 2014 op mijn 71ste, heb ik meer haar dan veel van mijn leeftijdgenoten en zij zijn nog niet grijs! In 1946, dus na de oorlog, kwam mijn zuster Lida op de wereld.

De woning bestond uit een huiskamer aan de straatkant, een slaapkamer aan de achterkant, een keuken en een WC. Aan de straatkant was er nog een klein kamertje, waarin ik sliep. Lida sliep in de slaapkamer bij mijn ouders. Aan de achterkant was een veranda, met een kolenkist. Er was geen warm water. Op zaterdagavond gingen we de tobbe in, ik na Lida of omgekeerd. Het warme water kwam uit de fluitketel. Het gas was toen nog stadsgas en als het aanwezige muntje op was moest je een nieuw muntje in de gasmeter stoppen. In de huiskamer was een schoorsteen, er werd dus alleen in de huiskamer gestookt. We hadden geen dubbele ramen, dus 's winters was het koud in de andere kamers en bij vorst stonden er ijsbloemen op de ramen.


Hier sta ik in de keuken, er was maar 1 kraan.

Onder ons woonde de familie Kruger met 2 zoons en op de 1ste verdieping woonde een broer van mijn moeder, Jan Pieterse met vrouw Mien, zonder kinderen. Op de begane grond woonde mevrouw Verbon of vermoedelijk Verbong, met haar hadden we heel weinig contact.

Links naast ons vanuit de woning gezien woonde op de 1ste verdieping mevrouw Lobel, iedereen kende haar en zij babbelde met iedereen. Zij was geen Amsterdamse, zij kwam uit Amersfoort, denk ik. Tegenover ons woonde Bab, een jongen van mijn leeftijd. Ik heb wel eens tussen de middag brood bij ze gegeten, daarbij kreeg ik tot mijn verbazing een glas water; drinken bij het eten was ik niet gewend. Nog meer naar links van Bab woonde Faanhof, de wielrijder, daar heeft Thea Kip al over geschreven. Ik kan me herinneren, dat er bij een kampioenschap een feest in onze buurt was. Links van mevrouw Lobel en net voor de melkhandel op de hoek was een grafisch bedrijfje, drukkerij of zo.

Onze kolenboer had zijn winkel op de Postjesweg, tussen de Hoofdweg en de Admiralengracht, aan de rechterkant. Hij of zijn knecht brachten de kolen naar boven, naar de kolenkist op de veranda.

Op de hoek van de Willem Schoutenstraat was een kruidenier, een melkhandel, een drogist en een groenteman. De schillenboer, die met paard en wagen door de straat reed, kan ik mij herinneren. Tegenover Thea Kip woonde de ijsman van Jamin. Als de ijskar voor de deur stond, kon je bij hem aanbellen om ijs te kopen. De in papier verpakte ijsjes van Jamin waren heel geliefd, zij kostten toen een dubbeltje.


Dit is een foto van het internet van een ijskar van Jamin.

Achter ons was de Orteliusstraat en daarachter de Orteliuskade en daarna boerderijen en tuinderijen. Daar waren slootjes, waarop wij ?s winters schaatsten, op doorlopers, want voor betere schaatsen hadden we geen geld. Die schaatsen bond je dus met banden aan de schoenen en die banden raakten steeds los. Het was allemaal wel erg primitief en koud.

Volgens de Wikipedia opende Dirk van den Broek in 1942 een melkzaak aan het Mercatorplein. In een bijdrage in de website „geheugen van west“ las ik, dat die boerderij in de polder van Jan van den Broek was, niet Dirk. Ik weet niet meer of Jan of Dirk met de melkwagen door de straat reed. Onze melkman daarentegen had zijn winkeltje in de Vespuccistraat bij de markt. Hij bracht de melk bij ons naar boven, naar de derde verdieping. Het verhaal gaat, dat hij gestorven is aan een vergroot hart, geen wonder.

Ik heb net als Thea Kip op de kleuterschool „Het Vergeet Mij Nietje“ in de Willem Schoutenstraat gezeten en daar kan ik mij ook niets van herinneren. Ik denk dat mijn moeder me steeds naar school bracht en ophaalde, want we moesten de Hoofdweg oversteken, al was die toen nog niet zo druk.

Mijn lagere school was ook de Lovelingschool in de Jan van Riebeekstraat. Die was verder dan de kleuterschool: het loopbruggetje over de Admiralengracht over en dan naar links en dan het laatste straatje voor de Jan Evertsenstraat naar rechts. De Cabotschool was dichterbij, maar mijn vader vond de Lovelingschool beter.

Op de Lovelingschool had ik drie jaar les van juffrouw van Tol. Zij woonde aan het Roelof Hartplein en kwam altijd met de fiets naar school. De laatste drie jaren had ik les van meester Barendrecht. Naast de Lovelingschool was er nog een school en daar tussenin was de gymnastiekzaal, die door beide scholen gebruikt werd. In die zaal konden ook toneelvoorstellingen gegeven worden, zoals het afscheidstoneelstuk aan het eind van het zesde schooljaar. Volgens Google Maps heet die andere school nu Poekie en is het een kinderdagverblijf; of dat vroeger ook zo was? De hoofdonderwijzer van de Lovelingschool was meester Kaspers, heel aardig en heel competent. Hij heeft mij aangeraden om naar de HBS te gaan, daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor.

Soms hadden we gymnastiek op een speelveldje bij de van Speijkstraat, 5 minuten lopen van de Lovelingschool. Ik herinner me dat een bal op mijn duim kwam, waardoor hij uit het lid raakte. De gymnastiekmeester trok hem meteen weer terug, daarna deed die duim nog veel pijn.

In mei ging het Jan van Galenbad open, een openluchtbad. In het begin van het seizoen was het water koud, te koud voor mij. De Jan Evertsenstraat was een winkelstraat. Links vanaf het Mercatorplein was een platenzaak, Caruso. Daar kochten we dus onze eerste grammofoonplaten. Aan dezelfde kant op de hoek van de Vespuccistraat was de groenteman Lindenman, schuin daar tegenover op de andere hoek was Jamin. Verderop maar nog voor de Marco Polostraat was rechts de banketbakker Ruperink, die verkocht de lekkerste speculaasjes. Op de hoek van de Marco Polostraat was een winkel voor elektrotechnische spullen, de naam ben ik vergeten.

Ook op de Admiralengracht kon je toen nog schaatsen. In de buurt van de Cabotschool was er altijd een wak, waarschijnlijk omdat daar warm water in de gracht stroomde. Op een bepaalde dag lag er aan de rand van het wak een klompje ijs, dat ik in het wak wilde schoppen, maar het klompje was vastgevroren, zodat ik in het wak gleed. Gelukkig waren er genoeg mensen in de buurt. Iemand trok me weer op het ijs en met mijn natte kleren moest ik dus naar huis lopen. Ik weet niet meer, of en hoe lang ik na het onvrijwillige ijsbad in bed gelegen heb.

Links achter de brug over de Admiralengracht was het Sportfondsenbad in de Cornelis Dirkszstraat. De chef was de heer Bakker, een barse man, ik zie hem nog zitten met zijn hengel met leren band, waarin de beginnende zwemmers hun eerste zwemslagen leerden. Op de kruising de Krommert was rechts Peereboom, de winkel met huishoudartikelen en nog verder rechts op de Admiraal de Ruyterweg was de ijzerhandel De Vijl.

Aan de linker kant was drukkerij Senefelder. Mijn vader werkte daar als vrachtwagenchauffeur. Hij bracht het drukwerk naar de klanten. Op mijn vrije middagen ging ik vaak met hem mee. De eerste vrachtwagen was een door de Canadezen achtergelaten truck, die in een donkerblauwe kleur gespoten was. Op de achterdeuren was het logo van Senefelder, met daarin de spreuk „saxa loquuntur“ – de stenen spreken, want drukkerij Senefelder begon als steendrukkerij. De Duitse Aloys Senefelder was de uitvinder van die techniek. Klanten van Senefelder waren o.a. de Persilfabriek in Jutphaas, Nutricia in Zoetermeer en Verkade in Zaandam.


Dit is de de vrachtwagen van Senefelder met zicht op de Krommert in de achtergrond. Mijn vader staat in de vrachtwagen.

Nog verder in de richting van de Wiegbrug, op de hoek van de Slatuinenweg, was een clichébedrijf. Dan kwam nog het reisbureau Labeto, vaak stond zo’n Labeto-bus voor de deur. Volgens Google bestaat het reisbureau nog steeds en wel in de Bilderdijkstraat. Aan de linkerkant was het Oranje Hof, met daarin een filiaal van de Openbare Bibliotheek. En dan kwam de Wiegbrug, die nog regelmatig open ging. De schippers moesten voor de doortocht betalen en daarvoor liet de bruggenman een geldbakje aan een touw zakken. Omdat er bij een „bruggetje“ soms lange files ontstonden en daardoor de dienstregeling van de tram, toen nog lijn 13, in de war raakte, besloot men om de brug tijdens de spitsuren niet meer te openen.

In 1955 ging ik naar de HBS op de Keizersgracht achter de Westertoren en in 1956 verhuisden we naar Slotermeer, zodat mijn zuster Lida haar eigen slaapkamer kreeg. Daarover zal ik bij gelegenheid op een andere website berichten, want deze website beperkt zich tot de Baarsjes.

Er is natuurlijk nog meer over de van Spil te vertellen, het is allemaal zo lang geleden. Ik ben natuurlijk dankbaar voor aanvullingen en correcties.

Groetend,
Hans Evers
Stämpbachstrasse 42
3067 Boll
Zwitserland

        


Historisch Archief De Baarsjes